IN ART DOGS EAT DOGS & MR. CLEAN KNOWS HOW TO FIGHT DIRTY

1997, Brussel-Amsterdam-Londen. Niet-officiële performance X 4 met gefluister, teksten, foto’s, diaprojector, plastic kaarten.

De officieuze performance begon in elke galerie vlak nadat we aankwamen. Åsa fluisterde ofwel In art dogs eat dogs of Mr. Clean knows how to fight dirty in de oren van bezoekers. Jadran liep rond en toonde het werk Whispers met een diaviewer. De performance eindigde met het in de lucht gooien van een aantal groene, rode en blauwe plastic kaartjes. Op deze kaartjes stond informatie over de tentoonstellende kunstenaar, de betreffende galerie en onze contactgegevens. We waren niet uitgenodigd om deze performance uit te voeren. We organiseerden ze zelf, en ze maakte deel uit van ons project over publieke intimiteit en officieuze performances (unofficial performance project).

I. Gallery MOT & VAN DEN BOOGAARD, Brussel, Douglas Gordon opening 25.04.1997
II. Gallery TORCH, Amsterdam, Peter Klashorst opening 18.10.1997
III. Gallery DE EXPEDITIE, Amsterdam, Keiko Sato opening 18.10.1997
IV. Gallery JAY JOPLING/WHITE CUBE, Londen, Andreas Slominski opening 27.10.1997

Zie hieronder en fragment van het gesprek tussen Scott William Raby (kunstenaar, kunstorganisator, onderzoeker) en Åsa Lie.


 

newspaper clippings which inspired this work

Krantenknipsels van The Independent.



SCOTT WILLIAM RABY (KUNSTENAAR, KUNSTORGANISATOR, ONDERZOEKER) IN GESPREK MET ÅSA LIE. BRUSSEL, 20 APRIL 2025


Scott William Raby: Wat interessant is, als we blijven kijken naar de verschillende projecten en praktijken, is dat dit kan gezien worden als een performatieve interventie, zowel in de publieke ruimte als in de context van de kunstwereld. Hoe zou je zeggen dat dit werk voortbouwt op of een verderzetting is van dergelijke interventies?  

Åsa Lie: Ons public intimacy project, en de kwesties rond officieel, officieus etc. komt voort uit het feit dat we niet genoeg kansen hadden om actief te zijn en ons werk te tonen...We wilden meer. Bijgevolg begonnen we het zelf te organiseren. Wat we al sinds 1990 deden. Dit werk was een deel van ons UPP - Unofficial Performance Project. Het was geïnspireerd op een advertentie van France Telecom: We spend millions of dollars a year to improve word-of-mouth technology. Het is een verderzetting van het werk dat ik je al eerder toonde met de titel It's about communication between people. The rest is technology.

SWR: Inderdaad, het is de taal van bedrijfscommunicatie en reclame.

ÅL: Precies. We zagen deze tekst en deze foto. Dan was er een artikel over politiek, van The Independent denk ik, waarin we de zin vonden: Don't be fooled, Mr. Clean knows how to fight dirty. Het artikel ging over machtspelletjes in de zakenwereld en de politiek.

We voelden ook dat het zo was als kunstenaars. In Brussel in de jaren negentig was er veel competitie. Er waren niet zo veel kunstenaars en slechts enkele galeries; steun of beurzen waren schaars en kansen zeldzaam. Bijgevolg was de competitie vrij groot. Curatoren en galeries maakten daar deel van uit, en omdat zij bepaalde kunstenaars kozen om in te investeren, was het misschien belangrijk om anderen aan de zijlijn te houden en minder kansen te geven. Gezien deze situatie kozen we ervoor niet te wachten op uitnodigingen, maar het gewoon zelf te doen.

SWR: Het grappige is dat het niet veel verschilt van wat je vandaag zou verwachten. De kunstwereld is nog steeds voor sommigen toegankelijker dan voor anderen. Er bestaat veel uitsluiting en competitie. Op een bepaalde manier is er weinig veranderd.

ÅL: Dit ging inderdaad sterk over de dynamiek van binnen en buiten. Volgens mij hebben we dat allemaal ervaren: hoor je erbij, of word je uitgesloten?

SWR: Wie heeft toegang tot de kunstsector? Welke kunstenaars of kunstwerkers kunnen tentoonstellen, een atelier hebben en een carrière opbouwen?

ÅL: In de advertentie fluistert een man iets in het oor van een andere man. Jadran liep rond met een kleine diakijker waarin een beeld te zien was van hem die in mijn oor fluisterde, terwijl ik tijdens de performance ik tegen de bezoekers van de galerie fluisterde: Mr. Clean knows how to fight dirty, of: In art, dogs eat dogs. Mensen begonnen zich af te vragen wat er gaande was. Daarna gooiden we een hoop kleine plastic kaartjes de lucht in, die zich over de vloer verspreidden. Sommige mensen raapten er een op. We deden het speels en het duurde maar enkele minuten. Ik kan me niet herinneren dat een kunstenaar zich door onze interventie gekwetst voelde. Integendeel, ze leken eerder positief, maar de galeriehouders waren minder gelukkig, sommigen zelfs wat bezorgd.
We voerden deze performance uit in Brussel, Amsterdam en Londen. Niet om de tentoonstellende kunstenaar of zelfs de galerie te bekritiseren, maar om vragen te stellen: wie mag er tonen? Wie beslist? Hoe worden kansen verdeeld? Waarom is de ene kunstenaar overal aanwezig, terwijl anderen nooit exposeren? Het was een reflectie op de manier waarop de kunstwereld functioneert. De interventie benadrukte ook het semi-publieke karakter van galeries. Ze zijn gedeeltelijk openbaar, maar niet volledig toegankelijk — en bepalen zo wie kan handelen en wie niet.

SWR: Welke artistieke praktijken worden als acceptabel beschouwd binnen de context van een galerieruimte of een opening van een tentoonstelling? Wat mij interesseert, zijn de verschillende aspecten van de performance die te maken hebben met politieke en economische taal, en hoe jij en Jadran die hebben toegeëigend binnen jullie artistieke praktijk. Door middel van sociale actie en interventie hebben jullie de ruimte tijdelijk hergeprogrammeerd, en letterlijk toegang gekregen tot een omgeving die normaal gesproken exclusief of ontoegankelijk is voor kunstenaars. Dat is fascinerend.

ÅL: Het was ook belangrijk om niet te verbergen wie we waren. We maakten altijd duidelijk wat we deden in deze ruimte, bij de opening van deze of gene kunstenaar, op deze datum, en hierbij ons contactnummer. Als iemand zich eraan stoorde en wilde klagen, had diegene de kans.
We bleven maar een paar minuten. Op de plastic kaartjes stond: Performance for Unrestricted Access in the Network Society. Het was bedoeld om de taal van zakenmensen te echoën. Of hoe wij dachten dat zakenmensen spraken. Een beetje satirisch.

SWR: Het verwijst ook naar de functies van een opening van een tentoonstelling, die een soort perverse situatie om te netwerken kan zijn waarin kunstenaars verondersteld worden om een versie van zichzelf te spelen, soms een overdreven versie. In die zin reageert jullie performance op deze dynamiek op een meer beknopte, kritische en performatieve manier, waarbij deze verwachtingen op een heel specifieke manier worden uitgedaagd of herschikt.

ÅL: Inderdaad, op een manier gaat het over obstakels overwinnen. We merkten dat het voor veel bezoekers van de tentoonstelling en voor artiesten bevrijdend was dat er iets ongepland en ongecontroleerd plaatsvond. En natuurlijk was het tot op zekere hoogte ook wel vermakelijk.

SWR: Zei je dat Douglas Gordon ervan heeft genoten?

ÅL: Ja, wij dachten van wel. Het was al lang geleden… De performance had een vragende kant, in de vorm van een uitnodiging, waarmee we probeerden de kunstwereld een beetje losser te maken. Zoals ik het zag, ging het ook om te laten zien dat wij als kunstenaars dit kunnen doen. Wij willen ook spelen! We respecteerden wat er getoond werd, de kunstenaars en de ruimtes, die we hadden gekozen omdat we ze interessant vonden.  Voor mij sloot dit niet uit om het te doen, maar ik begrijp dat anderen dat anders zagen. Sommige zagen het misschien als onrespectvol. We namen dat risico.
 

performance card Mot & van den Boogaard gallery


Achterkant van een plastic kaart die in een van de performances werd gebruikt, met de naam van de tentoonstellende kunstenaar, de betreffende galerie en onze contactgegevens.